Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dc Raad trok dus aan zich het toezicht , dat in 1580 door de Staten aan de Directiekamer was opgedragen en dat door hen ten aanzien der bagijnenkloosters niet dan uiterst sporadisch was toegepast. Toezicht, meer niet, was het derhalve wat dc Raad zich omtrent deze goederen vindiceerde; van toeeigening was geen sprake. Hetgeen , behalve uit de reeds meegedeelde feiten, ook in het volgende uitkomt: door Mater en conventualen van het convent der 11000 Maagden was in haar klooster een kamer in orde gebracht voor den predikant Ursinus en was hem beloofd, dat zij hem ook nog een kelder zouden inruimen ; de Raad, die immers de kosten van den kerkedienst te zijnen laste genomen had , beloofde nu aan dit convent voor de huur van die kamer en kelder jaarlijks ƒ. 50 te zullen betalen, mits dat hiermede verrekend zou wezen „d'act[i]e vant convent van dat de predicant Strateus daer eenygen tijt geweest es ende anderssins": 20 Jan. 1595 x).

Dc Raad regelde de bagijnenprebenden; zoo stelde hij den iSden Aug. 1595 de alimentatie voor de 15 „wt het convent

vande landen ende andere goederen toecommende t'eonvent vau HiErusalem, die airede verschenen sijn ende noch verschijnen sullen".

15 Dec. 1599: de Raad benoemde een commissie om „te staen over 'tverhuyren vanden landen, huysen ende goederen vanden convente van Hiërusalem".

6 Mrt. 1601: „om tassisteren die van Ste. Angnyten int verhueren hacrdei goederen, landen ende huysen',, werden door den Raad twee commissarissen aangewezen.

In 1600 (23 Sept.) was door „Mater ende conventualen" van St. Cecilia „met assistentie van commissarissen vander Stadt" aan N. v. Sompeecken haar Patershuis aan de Neude verhuurd voor 6 jaren; in dorso van het contract hadden zij eigener autoriteit aangeteekend (21 Sept. 1604), dat zij de huur voor 6 jaren verlengd hadden; de Raad verklaarde den 2isten Juli 1606 deze continuatie geenszins gestand te willen doen, ze niet „bindich kennende", en liet den huurder de huur opzeggen, zich houdende aan de „eerste telle-quelle huurcedulle".

23 Mrt. 1607: de Raad committeerde Jhr. L. v. Nyhoft om met J. v. Bemmel de ministra des convents van Arkel „te assisteren int verhuyren haerluyder landen, huysen ende erven", in de plaats van II. v. Helsdingen , „nu wt den eedt sijnde .

18 Juni 1610: de Raad consenteerde in het verhypothekeeren van zekere landerijen ter vrijwaring van de koopers van land van het convent van Arkel, wien dit land door gecommitteerden van den Raad verkocht was, volgens de costumen van het Land van Arkel.

I) Vro'ïdsch. resol.

Sluiten