is toegevoegd aan uw favorieten.

De geestelijke en kerkelijke goederen onder het canonieke, het gereformeerde en het neutrale recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

penningen vant selve getimmer ende erff uytte penningen geprocedeert vande vercopinge der huysen ende erven aen dit convent behoort hebbende sal suppleren" 1).

Den 31 sten Mrt. 1656 erkende de Raad ipsis verbis, dat hij treen eigenaar der conventenlanden was 2); de rentmeester van

O O

Jerusalem deelde aan den Raad mede, dat de uitgeschreven verkoop van omtrent 11 morgen land op Veldhuizen, „competerende 't voorss. convent, 't Weeshuys ende Bartholomeigasthuys yder voor sijn gedeelte", geen resultaat had geleverd, daar de geboden prijzen te gering waren geweest; hierop besloot de Raad, dat de rentmeester voorzegd en de Regenten van het Weeshuis en het Bartholomaeigasthuis met gesloten briefjes zouden schrijven, voor welken prijs ieder van hen het bedoelde land zou willen koopen; „ende dat die dan 1) — zoo voegde de Raad er aan toe — „eygenaer int geheel sal worden" !). Het kan moeielijk duidelijker worden uitgedrukt, hoe de Raad de conventen beschouwde; de gelijkstelling van het convent van Jerusalem met de beide genoemde fundaties èn in woorden èn in daden laat geen twijfel toe.

Nog een voorbeeld, waaruit blijkt dat de Raad zich niet als eigenaar der conventengoederen beschouwde, ligt in de resolutie van 3 Aug. 1657, waarbij werd bepaald, dat „by permutatie ende anders" afgelost moesten worden de oudeigens, renten en uitgangen „ende diergelijcke kleyne jaerlixe pensiën, die dese Stadt alsooek de Bagijnenconventen, Armhuysen ende Parochiekerken jaerlix betalen", die weinig opbrachten en veel last veroorzaakten van uitmanen en schrijven ')3).

Ook over de inkomsten — ik gaf er reeds voorbeelden van —

1) Vroedsch. resol.

2) Cf. ook de Vroedsch. resol., 31 Jan. 1659: de commissarissen en de rentmr. van Maria Magdalena werden gelast op rapport te handelen met den advocaat Warm vliet „over den eygendom van Stadsstege tusschen sijn huysinge ende t Servaesclooster", en met de huismrs. van het Bartholomaeigasthuis of de andere naastgeSrfden „over den eygendom vant steechjen achter of besijden 't voorss. gasthuys gelegen".

3) Evenals de Raad erkenden ook de Staten, dat het eigendomsrecht der begijnengoederen hun niet toekwam; den 22sten Febr. 1647 besloten zij n.1. de conventsgebouwen van St. Cecilia van de Stad over te nemen om er de Provinciale munt in