Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Raad bepaald, moest ƒ. 2000 „gemortificeert" blijven tot subsidie van de reparatie der Geertekerk i) en de overige f. 2200 moest belegd worden „opt corpus vande Stadt" op losrente, waarmede twee obligatiën afgelost moesten worden, die P. J. Almeloveen en de voogden van het onmondige kind van Aeltgen van Gameren „tot laste deser Stadt sprekende" hadden -). Een scherp onderscheid werd dus gemaakt tusschen de conventen en het „corpus" der Stad; ten laste van het laatste, d. i. den Stedelijken fiscus, nam de Stad geld op van de conventen, gelijk zij het ook van anderen deed; in zijn qualiteit van beheerder der conventen belegde de Raad bij den Stadsfiscus, en in die van Overheid mortificeerde hij een gedeelte van het conventsvermogen ad pios usus 3).

Nog een voorbeeld van deze handelwijze biedt de resolutie van den 2isten Febr. 1659: den Heer Ram werd als rentmeester van het St. Cecilia-convent de last gegeven van de ƒ. 8400, die gekomen waren van verkochte landerijen van dit convent, ƒ. 6000 te beleggen op interessen '„tot laste deser Stadt", te betalen aan den Eersten Stadskameraar, die er andere obligaties mee moest aflossen, terwijl de overige f. 2400, die aan den Kameraar waren uitbetaald, gemortifïceerd zouden blijven „tot Stadsbehoeff" 2).

In den regel zorgde de Raad dus, dat de conventen hunne inkomsten behielden; want, — al werd het er ook niet altijd bij gezegd, — wanneer landerijen ervan verkocht werden, werd zooveel van de kooppenningen door obligaties vervangen, dat hetzelfde inkomen er uit getrokken werd als uit het verkochte land, terwijl de rest gemortifïceerd werd hetzij direct ten bate der Stad hetzij ad pios usus. Met zoovele woorden werd dit

1) I11 1657 had de Raad de Geertekerk ook reeds gesubsidieerd met f 1200, voor de helft te betalen door den rentmr. van Bethlehem, Jerusalem en St. Brigitte, en voor de helft door dien van Abrahamdole en St. Maria Magdalena: 22 Apr. 1657.

2) Vioedsch. resol.

3) Cf. nog de Vroedsch. resol., 10 en 24 Jan. 1659 (cf. op p. 418), 7 Mei 1660 (ten behoeve der verbreeding van de Nicolaikerksteeg moest een plecht, „die het Nicolaiconvent heeft sprekende op de twee affgebroken camers aldaer, genaemt de Son ende Maen", gemortificeerd worden).

Sluiten