Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was. Deze vereeniging van directeur en controleur der geestelijke goederen was bij gebreke van een vaste pieuze bestemming, zooals b.v. bij de kerkegoederen, de aanleiding tot de opheffing der conventen, d. i. tot de vervanging van het zich gedragen als eigenaar door het zijn van eigenaar der conventengoederen.

Den 2den Mei 1674 deed de Raad een beslissenden stap; „tot redres van Stads-Finantie" werd teruggekomen op het besluit van 26 Sept. 1657: de professorentractementen zouden van de bagijnenconventen worden genomen en gelijk voorheen gebracht worden „op Stadscomptoir"; dit zou daarentegen verlicht worden met de renten, die de Stad aan de conventen verschuldigd was — de gelden der conventen waren immers veelal belegd op de Stad —, „dewelcke by dese worden gemortificeert, om te voorcomen d'onnoodige lasten vandien"2). Zoodoende werd de administratie vereenvoudigd ; want bij den gegeven stand van zaken was het feitelijk toch de Stad, die, zij het dan via de conventen, deze tractementen betaalde. Meer dan een inkrimping van het vermogen der conventen door de mortificatie hunner obligatiën — hetgeen trouwens, naar ons is gebleken, thans niet voor de eerste maal geschiedde — en een daarmee gepaard gaande vermindering hunner lasten kon in den genomen maatregel niet worden gezien, indien de resolutie niet aldus eindigde: „Dat voortaen de conventengoederen sullen genoemt worden Stadsgoederen, ende daerover gestelt een ofte meer rentmeesters, die het incomen vandien sullen hebben over te tellen aen den Tresorier, om dacr mede te voldoen de nodige lasten". Welke strekking dit besluit eigenlijk had, durf ik niet met zekerheid te zeggen. Beteekende het een opheffing der conventen, zoodat de goederen hunne eigenaars verloren, om hetzij dan ipso iure hetzij door occupatie de Stad in de opengevallen plaatsen te zien treden 3)? Of bedoelde het enkel de conventengoederen uit den kring der pieuze goederen

1) Cf. Mr. Verloren 1. c. p. 432.

2) Vroedsch. resol.

3) Deze meening wordt gehuldigd door Mr. Acquoy, 1. c. p. 353: „Door dit besluit zijn derhalve de goederen der begijnenconventen ten bate der stad gesequestreerd geworden".

Sluiten