Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cene bevatte „de voornaemste posten en parceelcn, die noch in wezen waren en bestonden in capitalen op de comptoiren, plechten, groote erfpachten en uitgangen", terwijl op de andere gebracht waren de „kleinigheden", als „thinsen, uitgangen, oudteigens, kleine erfpachten en diergelijke van weinigh soms"; deze beide lijsten legden zij in de Vroedschap over, met advies dat de eerste gebracht zou worden op het manuaal van ontvang van den Tresorier der Stad, gelijk mede op zijn manuaal van uitgaaf gebracht moesten worden „alle de lasten zoo van alimentatiën als anders, waarmede de voorss. conventen alsnoch zijn beswaert", en dat de andere op het manuaal der Stads kleine schulden zou worden gebracht en ter hand gesteld aan den uitmaner van deze, C. van den Eclaert, om ze zoo veel doenlijk in te vorderen en jaarlijks verantwoording te doen aan den Tresorier. De Raad liet zich dit rapport wel gevallen, bedankte de Heeren voor hun moeite, en bepaalde, dat de beide lijsten op de manualen van den Tresorier en den Uitmaner respective gebracht zouden worden, „vervolgende met yder post het jaer by de Heeren rentmeesters in derzelver laetste rekeningen in ontfang gebragt", en dat „de lasten vande respective conventen zoo van alimentatie als anders voortaen by de Heeren Tresoriers inder tijdt zullen worden betaelt" x).

Zoodoende verdween de zelfstandige administratie der bagijnenconventen; hunne goederen en hunne schulden werden door de Stad overgenomen. Over de goederen werd als voorheen door den Raad beschikt, doch nu niet meer voor de conventen maar „ten meesten dienste vande Stadt", en niet meer door bijzondere commissarissen der conventen maar door de „Gecommitteerden ter directie van Stadts Finantie" -). En zoodoende verdwenen

1) Vroedsch. resol.

2) Cf. de Vroedsch. resol., 16 Mei I7°7: besloten werd tot den verkoop van land op Heicop, „behorende aenden convente van Hiêruzalem", „waervan de wederhelft competeert zekere vicarye tot Westbroek, daer possesseur van is de Heer van Zuitoort", etc. „Behorende" etc. Dit is vreemd; er ware toch alleszins grond geweest voor den verleden tijd, die na 1674 als regel en vóór 1674 bij uitzondering reeds was gebezigd; het kan moeielijk iets anders dan een slordigheid zijn.

Sluiten