Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aug. 1796 door de Nationale Vergadering als vrucht van het nieuwe opperste beginsel van Staatsrecht: Vrijheid - Gelijkheid - Broederschap, de scheiding tusschen Staat en Kerk werd uitgesproken, en toen in het „Maatschappelijk Verdrag" van 1798 met zijne Additioneele Artikelen een nadere regeling van den nieuwen stand van zaken werd gegeven.

De Middeleeuwsche tegenstelling: wereldlijk-geestelijk was sedert 1580 verdwenen: geen geestelijk recht, geen geestelijke Overheid, geen geestelijke rechter, geene geestelijke personen en goederen bestonden meer. Dat er voortaan enkel seculier recht, een seculiere Overheid, een seculiere rechter, seculiere personen en goederen waren, vloeide voort uit de reformatie der Christelijke religie: de tegenstelling: geestelijk-wereldlijk was onbekend in de H. Schrift, was bloote menschenvinding, was Roomsch, en diende derhalve hoe eer hoe beter weg te vallen.

Maar er was meer, dat in de Kerk strijdig met de ware Christelijke leer werd geacht, zoowel in haar leer als in hare ceremoniën en haar inrichting; al deze in den loop des tijds ingeslopen misbruiken moesten worden uitgezuiverd, opdat de Kerk weer beantwoorden mocht aan haar beeld, zooals men het zich uit de H. Schrift vormde.

In den beginne had zich de Overheid tegen de reformatie verzet en alle afwijking van de geldende opvattingen als ketterij gestraft. Later nam zij echter een ander standpunt in: na gedurende een korten tijd beide partijen, Gereformeerd en Ongereformeerd, als gelijkgerechtigd te hebben aangemerkt in den religievrede, keerde zij zich — haar neutraliteit stond noch den aanhangers der gereformeerde noch dien der ongereformeerde religie aan — tegen de oude religie, stempelde zij deze, voorzoover ze van de nieuwe afweek, tot ketterij, en erkende zij de belijders dezer laatste als de ware Christenen.

Gelijk van ouds rekende de Overheid het zich ten plicht de Christelijke religie, de waarheid, te handhaven en te beschermen. En zoo sloten zich de kerken voor den ongereformeerden dienst, evenals zij vóór de Reformatie voor den gereformeerden gesloten waren geweest; en zoo kwamen in het algemeen alle goederen, voorheen voor den Roomschen dienst aangewend, ten goede van den Gereformeerden.

Sluiten