Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meerden dienst worden geopend. Deze opening geschiedde door de Overheid, niet omdat aan de Gereformeerde kerken van eenige kerkgebouwen het eigendomsrecht competeerde, maar omdat haar belijdenis de ware was. Of een Gereformeerde kerk een gereformeerde parochie dan wel een nieuw lichaam- was, deed niet ter zake: als ware Christelijke kerk vond zij de deuren der kerkgebouwen, die zij voor haar dienst behoefde, van Overheidswege voor haar geopend, zoowel van de parochiale als van de collegiale en conventuale kerken. Waar de parochiën als kerkelijke lichamen bleven bestaan, bleven de kerspelkerken voor den parochialen Christelijken dienst bestemd als voorheen, doch de grens tusschen rechtzinnigheid en ketterij werd anders getrokken. Waar de parochiën niet kerkelijk bleven voortbestaan maar een nieuwe Gereformeerde kerk naast haar werd gevormd, was er vermogensrechtelijk geen continuiteit in den band tusschen dit lichaam en de 'parochiekerken, maar steunde het gebruik dezer laatste enkel en alleen op het openingsbesiuit der Overheid. Vermogensrechtelijk bleven de parochiën in statu quo. De kerkeraad had, ook in de gereformeerde parochiën, met de kerkfabriek niets uit te staan; de kerkmeesters, veelal onder toezicht der gansche parochie, waren in -asu de bevoegde macht, onder de Overheid als Opperkerkmeester. Ter ondersteuning van de fabriek konden de kerkmeesters, mits de Overheid het toestond, over de leden der parochie of de bezitters van vastigheden binnen hare grenzen gelegen een omslag heffen zonder onderscheid te maken of zij al dan niet van de Gereformeerde gezindheid waren.

Zoodoende konden de pastorieën alleen aan Gereformeerde leeraars worden vergeven; de collators mochten geene anderen benoemen: zij hadden immers slechts het recht een Christelijken pastor loei aan te stellen, d. w. z. sedert het verbod der Roomsche religie een Gereformeerden predikant. In den regel werden echter de Utrechtsche pastoorsbenefices niet meer begeven: ze werden samengebracht in één administratie, en aan alle predikanten werd een vast tractement uitgekeerd, deels uit de inkomsten der pastoralia, deels uit andere geestelijke fondsen, deels uit de Overheidskas. De Overheid was Voedster-

Sluiten