Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Opmerking. Behalve het mannelijk en vrouwelijk lidwoord el en la heeft het Spaansch ook een onzijdig lidwoord lo, dat bijna uitsluitend gebruikt wordt vóór zelfstandig gebruikte bijvoeglijke naamw, voornaamwoorden en telwoorden, wanneer deze woorden in hun mtgebreidsten zin genomen worden.

Lo bueno, het goede.

lo blanco, het wit;

lo mio, het mijne (alles wat mij toebehoort); lo primero, het eerste (wanneer het woord bijvoorb.

aldus gebruikt wordt: het eerste, wat gij doen moet, is enz).

De overige rededeeleo, zelfstandig gebruikt, nemen het

lidw. el aan:

el si y el no, het ja en het neen.

el porqué, het waarom.

el amar, het beminnen.

4 Tegenwoordige tijd (Presente) van

Tener, hebben, bezitten.

Singular, enkelvoud. Plural, meervoud.

Yo tengo, ik heb; Nosotros tenemos, wij hebben.

tü tienes, je hebt; vosotros tenéis, gij hebt.

él tiene, hij heeft; ellos tienen, zij (m.) hebben.

ella tiene, zij heeft; _ ellas tienen, zij (vr.) hebben.

usted tiene, u heeft (hebt); ustedes tienen, u (mrv.) hebt.

Naar aanleiding van deze vervoeging eenige opmerkingen :

lo. Dc voornaamwoorden yo, tü, enz. worden gewoonlijk weggelaten, behalve wanneer de nadruk er op valt, bijv.

Sluiten