Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mano. Mi madre busca — la costurera. Tengo — un sastre excelente (uitmuntend). Compro — unas (eenige) flores para mi mujer (iets deftiger: mi senora). Todos admiran — el héroe. j,— cuantos hermanos tiene V.? Tengo — dos. IPorqué no buscas tü — tu sombrero? Mi hermano toma siempre — mis libros. El senor llama — el criado {bediende). El carnicero eompra — unos (eenige) bueves.

4. Presente de Estar, zijn, zich bevinden.

Singular. Plural.

Yo estöy nosotros (-as) estamos

tu estas vosotros (-as) estais

él esta ellos estan

ella esta ellas estan

nsted esta ustedes estan.

Opmerkingen. Voor ons ww. zijn heeft het Spaansch twee werkwoorden: ser en estar (beide onregelmatig).

Ser wordt gebruikt als er sprake is van een blijvende eigenschap, een beroep, waardigheid, nationaliteit enz., dus bijv. ser profesor, ser francés, ser bueno (goed zijn), ser malo (slecht zijn), ser de Paris, uit Parijs (afkomstig) zijn.

Estar wordt gebruikt als er sprake is van toevallige eigenschappen, bijv. estar contento, tevreden zijn, estar atento, oplettend zijn, estar enfermo, ziek zijn; van een oogeilblikkelijken toestand, dus met deelwoorden als bijv. nw. gebruikt, bijv. estar sentado, gezeten zijn, zitten; verder met een plaatsbepaling, die antwoordt op de vraag: waar? bijv. Estar en casa, te huis zijn, estar en el café, in het koffiehuis zijn.

Op dit hoogst belangrijke onderscheid komen wij later terug.

Sluiten