Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vrienden. Waar zijn mijn sokken en mijn bottines? De mouw van zijn jas is wit. De heer koopt een flnweelen mantel (een mantel van Hu weel ). De ouders zitten en de kinderen staan. Mijn ouders zijn goed. Gij zijt zeer bleek, zijt gij ziek? Neen ik ben zeer gezond. De heerenzijn hier en de' dames zijn daar. De moeders zijn gelukkig, wanneer hare (sus) kinderen goed en deugdzaam zijn. Mijn oom is uit Parijs en mijn tante is uit Madrid. Gij zijt bleek, zijt gij ziek? Ik vind mijn kousen niet, waar zijn ze? Hij koopt een hoed, een overjas, een colbert, een vest, een pantalon en een paar' bottines. Hij is gezond en zijn vrouw xs ziek. Hij is goed en zijn vrouw is slecht. De Heer N. is niet tevreden over (con) zijn zoon. Als wij ziek zijn, hebben wij geen honger. -Deze kinderen zijn bleek en koud. De kousen, de sokken, de onderbroek en het hemd zijn kleedingstukken. Mijn schoonmoeder koopt een fluweelen japon en linnen rokken voor haar dochter. Heeft de dame haar parasol ? Ik heb mijn handschoenen in mijn zak. De jongen heeft de pet op het hoofd. De dame koopt een mooie cliamberloek voor haar man. De overjas, het jaquette, het vest en de pantalon zijn bovenkleeren; hemden zijn ouderkleeren. Deze Franschman is van Parijs en zijn vrouw is van Marseille. Waar is mijn hoed en waar zijn mijn handschoenen? Deze hoed is (ser) voor (de) Mevrouw N. en deze mof is voor haar dochter. Ik zie (veo) mijn paraplu niet, waar kan (puede) zij zijn? Mijn grootouders zijn niet thuis.

Sluiten