Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uw nieuw huis. Uwe kinderen zijn in uw tuin. Mijn vriend en die van mijn broer zijn in uw kamer. Deze leunstoel is van mij en die is van U. Deze leunstoelen zijn van ons en die zijn van hen. Wij spraken van onzen neef en van den uwen. De kinderen hebben hunne ouders lief Gij hebt uwe kinderen lief. Is deze dame uwe vriendin of die van uw zuster ? In onze boekenkast zijn (er) verscheidene boeken. De sleutel zat (vert. was) niet in het slot. De ruiten van onze vensters waren gebroken. Er zijn in onze salon twee tafels, zes stoelen, twee leunstoelen, een sofa, een penanttafeltje en vier mooie 'schilderijen. Waar is de sleutel? Hij steekt in het slot. Op de tafel stond een schel en voor de vensters stonden eenige bloempotten. De lamp stond op de tafel. Mijn oom en de uwe kochten verscheidene nieuwe meubelen. Op het presenteerblad stonden (waren) eenige kopjes. De heer had een prachtig horloge in zijn zak. Het meisje keek in den spiegel. I® deze hoed van L ' Ja, hij i-s van mij. Neen, hij is niet van mij, hij is van dezen heer. In deze bloempotten staan verscheidene mooie bloemen. Wij spraken van onze zaken en zij spraken van de hunne. Zij bezochten iedere week hunne grootouders. Hij hing van zijne ouders af. Wij dronken water en zij dronken wijn. Wij hadden geen (= niet) geld om (2 wijn te 0 koopen. De glazen van dit huis waren gebroken. De dame zat op de sofa en haar dochter stond naast haar (a su la do, aan hare zijde). Mijn hoed en jas hingen (vert. waren) in de kast.

Sluiten