Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lección sexta.

El adjetivo (Formación del feminino. Colocación. Pretérito perfecto de los verbos regulares y de los verbos tener, estar y ser.

1. Vocabulario.

grande, groot.

malo, -a, slecht.

santo, -a, heiligde go, -a, blind.

bonito, -a, schoon, mooi.

chieo, -a, klein.

pequeno, -a, klein.

alegre, vroolijk.

serio, -a, ernstig.

triste, treurig.

desordenado, -a, slordig.

facil, gemakkelijk.

difïcil, moeielijk.

regordete, -a. gezet, kort en dik. ricote, -a, (zeer) rijk.

juguetón, -a, speelziek. holgazail, -a, lui, nietsdoend. hablador, -a, praatziek. encantador, -a, bekoorlijk. trabajador, -a, werkzaam. menor, kleiner, kleinst. mayor, grooter, grootst. mejor, beter, best.

peor, slechter, slechtst. anterior, vroeger.

posterior, later.

interior, binnenste.

exterior, buitenste.

inferior, lager, benedenste. superior, hoogei', bovenste, uitstekend.

Bebalve de in Lección Segunda aangegeven regels voor de vorming van bet vrouwelijk der bijv. nw. vinden we nu nog de volgende:

Regel I. De bijv. nw. op ete en ote veranderen m het vrouwelijk de slot-6 in ft-

Regel II. De bijv. nw. op on, an en de van urn. afgeleide op or nemen een K aan in het vrouwelijk.

Sluiten