Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dozijn kamers. Eenige paren kousen en sokken. Twee dozijn hemden. Een half dozijn paren handschoenen (el guante). Een tiental dassen. Een twintigtal hoeden. Twee paar schoenen. Een veertigtal dagen. Eenige honderdtallen soldaten.

3. Subjuntivo (Aanvoegende wijs).

Presente.

Hablar. Corner. Vivir.

Hable, dat ik spreke, coma vïva

hables enz. cömas vïvas

hable cöma vïva

hablenios comamos vivamos

habléis comais vivais

hablen. cöman. vïvan.

Opmerkingen, a. Men vormt den Presente del Subjuntivo van den len pers. enk. del Presente del Indicativo door verandering van den uitgang o in:

e, es, e, emos, éis, en bij de ww. der le verv. en in: a, as, a, atnos, ais, an „ „ „ „2e en 3e verv.

Als we den eersten pers. enk. buiten rekening laten, heeft dus de Subj. pres. in de eerste verv. dezelfde uitgangen als de Indicativo presente in de tweede, en omgekeerd de Subj. pres. in de tweede en derde vervoeging dezelfde uitgangen als de Indicativo presente in de eerste.

b. Het Presente del subjuntivo van estar is geheel regelmatig, dus esh', estés, esti', estemos, estéis, estén. Het accent (acento) valt in de verschillende personen op dezelfde wijze als in den Indicativo presente.

c. Het Presente van tener wordt gevormd naar den in Opm. a gegeven regel, dus tënga, tëngas, tcnga, tengamos, tengdis, t eng au.

Sluiten