Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

E^jercicio 72. Ter vertaling:

Wie klopt (llamar) daar? Ik, hij, wij zij. Wij hadden honger en zij hadden dorst. Ik had gelijk, maar L had geen gelijk. Ik ben met u meegekomen (venido). Ik spreek niet van hem, maar (sino) van haar. Spreekt gij van ons of van haar (mrv.)? Ik neem al mijn geld mee. ^ ie heeft van mij gesproken? Ik heb gesproken van I en van Uwe zuster. Spreek U niet altijd van U zelf! Heeft l dit geld gegeven (dado) aan mijn broer of aan mijn vriend V Heeft L a an haar of aan mij gedacht (pensar en). Zij heeft (llevar) geen geld bij (con) zich. Het schijnt zeer gemakkelijk, maar liet is moeilijk. Zult gij al uw geld meenemen'? Zal je al je geld meenemen? Hij is zelf gekomen. Zij spreekt niet dan (sino) van zich zelve. Hebt gij uw geld bij u?

2. Pronombres personales als lijdend voorw. of 3den naamvalsbep. bij een werkwoord.

Dativo. Acusativo.

Yo; mij, me, me.

tü; u, te, te.

él; hem, le. Ie (voor persomn).

Ie, lo (voor zaken) *).

ella; haar, le, la.

ello; het, le, lo.

zich, se. se.

nosotros; ons, nos. nos.

vosotros ; u, vos, vos.

#) Omtrent het gebruik van le en lo in den Aoo. mnl. enk. loopen de gevoelens der spraakkunstenaars uiteen. Het voorschrift van Don Vinoente Salva om le te gebruiken voor personen of gepersonifieerde zaken, en lo voor zaken, is volgens Bello-Cuervo overeenkomstig het meest gevestigd gebruik. De Aoademia maakt geen verschil meer tusschen le en lo in den acc. mnl. enk.

Sluiten