Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regel I. Het Pronombre relativo que (die, dat) wordt gebruikt voor persoueu en zaken, in het mannelijk en vrouwelijk, in het enkelvoud en meervoud, in den lei' en in den 4en nv.

Be mannen, aan wien wij het

leven verschuldigd zijn. De mannen, aan wie enz.

De heer, dien wij bezochten. De heeren. die enz.

2. El liombre a quien debemos la vida.

Los hombres a quieu(es) debemos la vida.

El senor a quien visitamos. Los senores a quien(es) visi¬

tamos.

La persona de quien V. habla. De persoon, van wien gij

spreekt.

Regel II. Het pronombre relativo quien, mrv. quien(es) wordt uitsluitend gebruikt voor personen, zoowel in het mnl. als in het vrouwelijk. Als onderwerp mag het alleen gebruikt worden in het geval, genoemd in de Opm. bij Regel IV.

Regel III. Als quien (quienes) lijd. voorw. is, neemt het vóór zich het voorzetsel a.

3. Entró un criado, el cual me entregó una carta.

Entró una criada, la cual me entregó una carta.

He encontrado a unos amigos, los cuales me han hablado de ti.

He encontrado a unas amisras, las cuales me han ha-

O '

blado de ti.

Er kwam een bediende binnen, welke (die) mij een brief overgaf.

Er kwam een dienstmaagd binnen, welke (die) enz.

Ik heb (eenige) vrienden ontmoet, welke (die) mij van u gesproken hebben.

Ik heb (eenige) vriendinnen ontmoet, welke (die) mij van u gesproken hebben.

Sluiten