is toegevoegd aan uw favorieten.

Practische handleiding ter beoefening van de Spaansche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ejercicio 119. Breng in alle personen:

No consiento nunca en que se me insulte.

Me resenti de mis dolencias pasadas.

Siento que mi criado parta.

Sentf que mi amigo no hubiera venido.

Ejercicio 120. Ter vertaling:

Ik wond, hij wondde, gij hebt gewond, ik zal wonden, zij zouden wonden, wij zouden gewond hebben, dat hij wonde, dat zij wondde, wondende, wondt niet. Lieg niet, laten wij niet liegen, liegt niet. Zij betreurt gelogen te hebben. Laten wij betreuren. Gij betreurdet. Dat gij betreurt (subj. pr.). Zij stellen uit. Laten wij uitstellen. Stelt niet uit. Dat ik uitstelde. Dat hij zal uitstellen. Zij rapporteeren en hebben gerapporteerd. Dat wij overbrengen, dat wij overbrachten. Wij brengen over. Zij brengen over. Laten zij niet beknorren. Ik verander, veranderde, heb veranderd en zal veranderen. Gij zoudt waarschuwen. Waarschuwende. Dat gij waarschuwet, dat gij waarschuwdet. Wij vermaken ons, wij vermaakten ons, dat wij ons vermaken en vermaakten. Zij redetwisten, laten ze redetwisten, laten wij niet redetwisten, redetwist, redetwist niet. Zij hebben geen berouw gehad. Waarom zouden zij berouw gehad hebben? (Zie de Aant. bldz. 31).

Vocabulario.

arabe, Arabisch. acrisolado, gezuiverd, zuiver. insultar, beleedigen. ganar, winnen, verdienen. suceder, gebeuren. tratarse, met elkaar omgaan. manufacturar, vervaardigen. cometer, begaan.

El socio, de deelgenoot. la empresa, de onderneming. la ausencia, de afwezigheid. el regreso, de terugkeer. el grito, de kreet. la pena, de straf. el obstaculo, de hindeipaal, de moeilijkheid.