is toegevoegd aan uw favorieten.

Practische handleiding ter beoefening van de Spaansche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4o. Condicionales (1voorwaardelijke): si*), como (indien), con tal que (mits), siempre que ([altijd'] als), dado que (mits).

5«. Causales (oorzakelijke): porque (daar, want); pues of puesto que (daar, dewijl), una vez que (daar, daar nu eenmaal), ya que (daar, daar toch eenmaal).

6<j. Continuativas (voortzettende); pues (dan) **), asi que (zoodal).

7°. Comparativas (vergelijkende)', como (gelijk), asi como ((/dijk), asi (zoo).

8°. Finales (doelaanwijzende): para que (opdat), tl tin de que (opdat).

9o. Ilativas (gevolgaanduidende) **): couque (dus), luego (dus), pues (dan), por consiguiente (bijgevolg).

Hierbij moeten natuurlijk gevoegd worden:

10». Temporales (tijdbipalende): luego que (zoodra), cuando, (wanneer), mientras (que), (terwijl), hasta que (totdat), antes que (zoodat), después que (nadat).

Opmerkingen over eenige voegwoorden.

Y

wordt é vóór woorden, die met i of hi beginnen, bijv.: Fernando é Isabel; padres é hijos.

Uitgezonderd:

lo. vóór hir; bijv. tigre y hiena, tijger en hyena-, nieves y hielos, sneeuw en ijs;

2». aan het begin van vragen: Inés? En Agncs?

*) Bij oude Spaansche schrjjvera vindt men vaak donde gebruikt in plaats van si (indien). Dit gebeurt in onze taal nog, bijv. waar hij spreekt, moet ik zwijgen (vgl. Duitsob: wo nicht, indien niet; oudt. bvb. bij Cervantea: donde no).

**) Zie vorige pagina.