is toegevoegd aan uw favorieten.

Practische handleiding ter beoefening van de Spaansche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ejercicio 154. Geef de volledige vervoeging van:

Poner, deponer en suponer.

Valer, waard zijn, opleveren, beschermen. Ger. valiendo.

Part. valido.

Indicativo.

Presente. Pretérito. Futv.ro.

Val jr o vali valdré

vales valiste etc.

vale etc. Condicional.

valemos valdria

val éis etc.

valen.

Imperf. Imperativo.

valia val ó vale

etc. valed.

Opmerkingen :

a. Naar valgo de Subj. pr. valga, valgas, etc.

b. Als valer worden vervoegd de compuestos:

equivaler, evenveel waard zijn. prevalerse (de), zich laten voorstaan (op).

c. De Imperativo 2e p. S. vale is gebruikelijker dan val. Beide vormen komen alleen voor in verbinding met me, te, of nos: valme of valeme etc. (Ac.).

Ejercicio 155. Geef de volledige vervoeging van: valer, waard zijn en van valerse (de), zich bedienen van, ■aanwenden, gebruiken.

Tener *) hebben.

Ger. teniendo Part. tenido.

*) De geheele vervoeging van tener ia reeds gegeven, toch laten we ze nog eena tot vergemakkelijking van het overzicht volgen.