Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Indic. Presente: Hav*), er is, er zijn.

Imperfecto: Habia, er was, er waren.

Pretérito: Hubo, „ „ „ „

„ (2a forma): Ha liabido, er is geweest, er zijn geweest. Pluscuamperf.: Habia habido, er was geweest, er waren

geweest.

Pret. (3a forma): Hubo habido, er was geweest, er waren

geweest.

Futuro: Habra, er zal zijn, er zullen zijn.

Fut. perfecto: Habra habido, er zal geweest zijn, er

zullen geweest zijn.

Condicional presente: Habna, er zou zijn, er zouden zijn.

perfecto: Habria liabido, er zou geweest zijn, er

zouden geweest zijn.

Subjuntivo presente: Haya, dat er zij, dat er zijn.

Imperf. Hubiera, , , , , ,

TT . ( dat er ware, dat er waren. Hubiese,

Perfecto: Haya liabido, dat er geweest zij, dat er

geweest zijn.

Pluscuamperf.: Hubiera (hubiese) habido. dat er geweest

ware, dat er geweest waren. Futuro: Hubiere habido, dat er geweest zal zijn,

dat er geweest zullen zijn.

*) De Indicativo presente van het verbo impersonal haber luidt: ha en niet hay in twee gevallen: lo. Na een tijdsbepaling, dus:

Un afio ha (of hay un ano), vóór een jaar of (het is) een jaar geleden. Dos meses ha [of hay dos meses), vóór twee maanden of (het is) twee maanden geleden.

2o. In de uitdrukking:

(No) ha lugar, er is (geen) aanleiding of reden.

Sluiten