is toegevoegd aan uw favorieten.

Practische handleiding ter beoefening van de Spaansche taal

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

b. De samenstellingen van decir worden op dezelfde wijze vervoegd; maar:

Contradecir, tegenspreken, desdecir, logenstraffen, desdecirse, zijn woord (of bod) intrekken en predecir, voorzeggen, voorspellen, hebben in den Imperativo:

Contradice, desdice, predice.

Bendecir, zegenen en maldecir, vervloeken, wijken af in: Part. Bendecido (ó bendito), maldecido (ó maldito). Futuro. Bendeciré, maldeciré.

Imperativo. Bendice, maldice.

Ejercicio 182. Geef de volledige vervoeging van:

Decir, predecir en bendecir.

Ejercicio 18B. Plaats in alle personen van den Imperativo: No hables de lo que 110 sabes, y lo que supieras no lo digas sino a su tiempo y sazón (op zijn juisten tijd).

Ejercicio 184. Vertaal (zoo mogelijk op meer dan een manier):

Ik zeg, gij spreekt tegen, hij logenstraft, wij trekken onze woorden in, gij voorzegt, zij zegenen. Ik vervloekte, gij zeidet, hij sprak tegen, wij logenstraften, gij trokt uw bod in, zij voorspelden. Ik heb gezegd, gij hebt vervloekt, hij heeft gezegd, wij hebben tegengesproken, gij hebt gelogenstraft, zij hebben hun woord ingetrokken, ik zal voorspellen, gij zult zegenen, hij zal kwaadspreken, wij zullen zeggen, gij zult tegenspreken, zij zullen logenstraffen. Voorspel, zegen, vervloek niet, spreek tegen, zeg, trek uw woord niet in, laten wij zeggen, zegt, laten wij zegenen, zegent, laten wij voorspellen, voorspelt, voorspelt niet. Dat ik zegene, dat gij vervloeket, dat hij zegge, dat wij tegenspreken, dat gij logenstraft, dat zij hun woord intrekken, dat ik voor-