Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14. De paarden van ons rijtuig '/ingen op hol, maar gelukkig

kwamen wij er zonder letsel af.

15. Het ontbrak niet aan lieden, die ontevreden waren over

h/t beheer van den gouverneur.

Lección diez y ocho.

Formación de los verbos.

1. Los verbos derivados pueden forinarse:

de sustantivo: agujero (rond gat), agujer(e)ar (gaten in iets mahn), imagen, imaginar; embuste (leugen), embustear (steeds liegen); senor, senorear (heersriten, den baas spelen)-, costa, kust, costear (langs de kust varen)-, cerco (kring, omheining), cercar (omringen); tlanco (zijde. flank), (lanquear {flankeeren)-, ay {zucht, klacht, interj. empleada como sust.), ayear (weeklagen, jammeren, repetir ayes).

rle adjelivo: corto, cortar; blanco, blanquear; liermoso, hermosear; verde, verdear (groen zijn, groenachtig zijn, uitbotten), verdecer (groen worden, v. d. aarde en van hoornen)-, negro, negrear (zwart of ztvartachtig zijn), azular (blauw verven), azulear (blaun-en).

de pronombre: tü, tutear.

de verbo: pisar, pisotear; tirar, tirotear (vêase Tomo II,

pag. 89).

de adverbio: cerca (acerca), acercar.

de modo adverbial: por Dios, pordiosear.

2. Los verbos compuestos pueden componerae

de sustantivo y verbo: maniobrar (arbeiden met de hand, mn.meuvreeren); maniatar (de handboeien aandoen)-.

Sluiten