Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Avergonzar, beschamen. reprobar, afkeuren, berispen.

avergonzarse, zich schamen. Reoontar, V. Contar.

de&vergonzarae, zich schaamteloos Recordar, V. Aoordar.

gedragen. Recostarae, V. Acoatar.

Azolar, in het ruwe bewerken. Reforzar, V. Forzar.

Clooar, klokken (v. e. kip). Renovar, hernieuwen.

aolooar, uitbroeden. Reprobar, V. Probar.

enclooarae, kakelen (kip). Re80ontrar, tegen elkaar opwegen

Colar *), ziften, filteren, het goed (twee posten in een rekening), doorhalen, binnensmokkelen. Beaollar, blazen, sterk ademhalen.

eacolar, gaan door een nauwen Reaonar, V. Sonar.

doorgang. Revolar, V. Volar.

reoolar, op nieuw filteren. Revoloarae, V. Voloar.

traaoolar, dóorzijpelen. Rodar, rollen.

Colgar, ophangen, hangen. enrodar, radbraken.

deaoolgar, afnemen, afhaken. aonrodarae, in het slijk zinken

Comprobar, V. Probar. (». wielen).

Conoordar, Y. Aoordar. Rogar ***), vragen, verzoeken.

Conaolar, troosten. Solar, van zolen voorzien.

desoonaolar, diep bedroeven. sobresolar, een nieuwe zool op de

Consonar, V. Sonar. andere zetten.

Contar, tellen, vertellen, rekenen. Soldar, soldeeren, een dwaasheid goed desoontar, disconteeren. maken.

reoontar, op nieuw (ver)tellcn. desoldar, losmaken (hetgesoldeerde).

Costar, kosten. Sonar, klinken, spelen (op een instru-

Degollar, onthoofden. ment).

Denoatar, beleedigen. sonarse, zich snuiten.

Derrooar **), van een rots naar be- aaonar, assonneeren, troepen bijeen• neden werpen, tegen den grond brengen.

werpen, afbreken. oonsonar, consonneeren, rijmen,

*) Lea verdaderoa oompueatoa de colar se oonjugan eomo el verbo primitivo; los compuestoa aparentes: descolar (den staart afsnijden; cola: staart) y encolar (lijmen, plakken; oola: lijm) aon regulares. **) Derrooar ea también regular.

*) Todoa los oompueatoa de rogar aon regularoa (derogar, iets doen beneden zijn waardigheid, arrogar, iemand toeschrijven wat hem niet toekomt, arrogarae, zich aanmatigen, interrogar, ondervragen, prorrogar, uitstellen,) oomo generalmente todos los verboa terminados en ogar, p. e. ahogar, verdrinken, bogar, varen, roeien.

Sluiten