Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het derde tijdvak gelijkt in niets op het voorgaande. De ongeloovige secte der Qarmaten reeds in het vorige tijdperk ontstaan, vierde den zegepraal harer zaak in het succes der Fatimiden. Zij had waardige opvolgers in die der Ismaëlieten of Ta'limieten, die niet meer de waarheid zochten, maar personen, die de waarheid hadden. Ondertusschen hadden de miskende eischen van het gemoedsleven ijverige voorstanders gevonden in de (,'ufiers of mystieke pantheïsten; de natuurlijke reactie tegen den eenzijdigen verstandsgodsdienst was in vollen gang. Voor den Islam konden zij niet anders dan verderfelijk zijn. want deze bezit niet, evenals het Christendom, een mystiek element in zich, zoodat hij zich tegenover hun streven slechts afstootend kon gedragen, doch daartoe ontbrak hem de macht. Het is een tijd van overgang, gekenmerkt door gemis aan alle zedelijke energie, waarin goud en staal de wereld beheerschen. Hij loopt ten einde als Ghazzali zijn beroemd werk; „Herleving van de godsdienstwetenschappen" schrijft. Hij zelf was een tijd lang Qufier geweest, d. w. z. hij had zich eenige jaren overgegeven aan een bespiegelend ascetisch leven en wist daarna de orthodoxie weer eenig leven in te blazen door er een ascetisch kleurtje aan te geven. Ghazzali stierf in 1111.

Het vierde tijdvak loopt vandaar tot op onze dagen en kenmerkt zich door volledig gebrek aan iets nieuws en oorspronkelijks. Het licht van den Islam schijnt uitgedoofd; men commentarieert vlijtig de werken der oude meesters; het Qufisme breidt zich al meer en meer uit; vreemde elementen worden zonder veel tegenspraak in den godsdienst opgenomen, kortom de Islam is wel niet dood, maar er heerscht geene opgewektheid, geen leven. Dat

Sluiten