Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leer der Christenen bijv. is op zich zelve geen ongeloof'), want — dit was wel de bedoeling met dit voorbeeld — het komt er voor het wezen des geloofs niet op aan, welke overtuiging men heeft aangaande het Godsbegrip. Daaruit verklaart zich ook de mildheid van het Hanafitisch rechtssysteem met betrekking tot de ongeloovigen, vergeleken met de drie overige systemen 2), want abu-Hanifa (4- 767) de grondlegger daarvan was Mordjiet.

Het geloof is derhalve geene werkheiligheid, geen bloot voor waar houden van sommige feiten, ofschoon de bewoordingen, waarin ons het gevoelen der Mordjieten wordt medegedeeld dit somtijds schijnen te leeren, maar eene innerlijke gezindheid des harten. Het geloof is kennisêe Gods, nederigheid en het nalaten van eiken trots tegenover Hem 3). Wie een profeet doodt of slaat bijv. is een ongeloovige, niet van wege het dooden of het slaan, maar wegens de geringschatting, de vijandschap en den haat4), waarvan zijne handelwijze getuigenis aflegt. Kenden wij hun gevoelen slechts yollediger, dan de schaarsche berichten van Shahrestani en anderen ons vergunnen, wij zouden deze citaten ongetwijfeld zonder moeite kunnen vermeerderen met andere van gelijken geest en strekking.

De beteekenis dezer secte ligt inderdaad niet in de afwijkende definitie, die zij van het woord geloof gaf, maar ook hier is het dogma, zooals altijd, waar het levend is, de uitdrukking eener levensopvatting. Wij leei'en daaruit de Mordjieten kennen als eerbiedwaardige humane geloo-

1) Ibid 107. H. I. 162.

2) Vg. daaromtrent Kremer Culturgeschichte I, 494. vvg.

3) Shahr. 104. H. I, 157.

4. Ibid 107. H. I, 1C2.

Sluiten