Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

genomen, komt aan de Djabarijah de lof van consequentie en orthodoxie zonder tegenspraak toe. Ongelukkig verbonden zij echter daarmede de gruwelijke ketterij van het loochenen der Goddelijke attributen, zoodat de orthodoxen min of meer consequent den vrijen wil door een achterdeurtje binnenhaalden.

Op dit standpunt staat bijv. nog ibn-Hazm. Hij begint met te stellen, dat het de mensch is, die wil, doch — men lette wel op hetgeen volgt —, slechts dan, wanneer God dien wil doet plaats hebben. Hij schijnt dus vrij consequent predestinatiaan te zijn, maar tot onze verbazing hooren wij hem daarna spreken van een tweeledig adjutorium Dei, helpend bij eene goede handeling (0^), in den steek latend bij eene slechte (013e>), hetwelk wederom ook eenige werkzaamheid van s'menschen kant onderstelt. Wordt daardoor eene handeling noodzakelijk daar¬

aan moet voorafgaan, dat zij mogelijk (contingent) is, waartoe noodig is de potentia (i^LLüU), welke nader gedefinieerd wordt als: ongedeerdheid der ledematen en het afwezig-zijn van alle uitwendige beletselen. Wie bewerkt nu den overgang van mogelijkheid in noodzakelijkheid? Op die vraag zoekt men bij hem te vergeefs een duidelijk en bepaald antwoord, nu eens schijnt het de menschelijke wil, dan weder God te zijn ').

Hebben wij terecht zoeken aan te toonen, dat de oppositie tegen het dogma der predestinatie is uitgegaan van

zedelijke bezwaren, dit werd geheel anders, toen in het begm der Me eeuw de werken der Grieksche wij8geeren

den Moslims bekend begonnen te worden. Ik heb het

l) Vgl. ibn-Hazm, Cod. Lugd. I, f. 178 yyg.

Sluiten