Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belang, want ook die dogmatische geschriften uit lateren tijd, welke de gansehe geloofsleer behandelen,leveren geen goed samenhangend geheel; integendeel de verschillende capita der dogmatiek staan op zichzelve en zijn louter naast elkaar gevoegd. De behandeling van het Godsbegrip echter gaat altijd vooraf; alle belangrijke kwesties komen daarin ter sprake bijv, de leer der attributen, de eeuwigheid der openbaring, de vrije wil enz. Wat ik boven sub 3° genoemd heb komt overeen met hetgeen wij in het eerste hoofdstuk aangeroerd hebben; hetgeen ik in de laatste plaats noemde is een dogma der Motazelieten, waarin zij lijnrecht tegenover de Shiieten staan. Volgens de laatsten nl. is alleen de vorst geroepen om de zedelijke orde te handhaven, terwijl de Motazelieten, hierin met de Kharidjieten overeenstemmende, dezen plicht aan eiken Moslim oplegden. De eersten veranderden daarom de lezing van Qor. III, 3. door het woord: volk (iUi) met „vorsten" (iUjl) te verwisselen '). De orthodoxen bewandelen hier, zooals gewoonlijk, den middelweg, doch hellen het meest tot het gevoelen der Shiieten over.

Eene dogmatiek, zooals de Motazelieten poogden te geven, onderstelt het bestaan van dogmata, die zij tot één geheel verbindt, maar deze dogmata waren niet die der Mohammedaansche kerk. Integendeel zij weken daarvan af, zoowel wat het formeele, als wat het materieele deel der dogmatiek betreft. De orthodoxe theologie was door en door juridisch; hare oudste voorstanders zijn juist de reeds genoemde Imams, die eigenlijk juristen waren. Een jurist nu vraagt in de eerste plaats naar een wetboek om daaruit

O Jou™* 1843. II, 409.

Sluiten