Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naam, hij het begrip daardoor aangeduid toch kent en verdedigt. Maar zoo zijn nu eenmaal de orthodoxen. Keeren wij echter tot het gevoelen van Djahm terug. Van hem wordt ons nog bepaaldelijk bericht, dat hij loochende, dat aan God de attributen leven en wetenschap toekwamen, het laatste op grond, dat deze wetenschap veranderlijk moest zijn, naarmate de zaken die God weet, reeds geschapen waren of nog geschapen moesten worden. Immers, zoo redeneerde hij, het maakt onderscheid of men iets weet, dat is, dan wel iets, dat geweest is, of zijn zal. Gods wetenschap verandert dus voortdurend, aangezien al het geschapene dagelijks verandert '). Wij vinden dus bij Djahm slechts een streven om alle anthromorphisme zooveel mogelijk te ontkomen, doch eerst de Motazelieten hebben dit beschouwd als eene poging om de éénheid van het Godsbegrip te handhaven, dat inderdaad iets anders is, doch desniettemin met het andere nauw samenhangt. Reeds Wa^il ibn-Ata beschouwde de kwestie uit dit oogpunt. Wanneer wij, zegt hij l), eerst een eeuwig goddelijk wezen aannemen en daaraan vervolgens nog andere eeuwige attributen toevoegen, dan hebben wij in den grond der zaak niet één God, maar vele goden. Hij ging daarbij, zooals wij gedwongen zijn aan te nemen, uit van de onderstelling, dat het wezenlijke van het Godsbegrip bestaat in het eeuwig-zijn 3), want anders heeft zijne redeneering geen zin. Hij loochende diensvolgens alle eeuwige attributen, doch of hij heeft ingezien, dat hij daarmede het Godsbegrip van eiken reëelen inhoud beroofde xêvurt?)

1) Vg. Maw&qif pg. 61. ï) Shabr. 31 H. 1, 45.

3) Vg. Shahr. 57. H. 1, 85.

Sluiten