Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

10, 3. 13, 2 enz. voorkomt. En hiermede zeggen wij alle anthropomorphisten vaarwel om de kwestie van de éénheid van het Godsbegrip na te gaan. Het zal echter niet overbodig zijn deze eerst een weinig toe te lichten.

Men heeft ten allen tijde onderscheid gemaakt tusschen het wezen Gods en Zijne attributen en zich daardoor in groote moeilijkheden gewikkeld. Aan den éénen kant liep men daardoor gevaar attributen tot één begrip te vereenigen, die met elkaar onbestaanbaar of liever ondenkbaar zijn bijv. lichamelijkheid en alomtegenwoordigheid, genade en strenge rechtvaardigheid. Daarom hebben vele theologen die scheiding tusschen wezen en attribuut verworpen. Zóó bijv. Mosbeim waar hij zegt: „Si essentia Dei vere „differret ab attributis et si attributa realiter inter se dif„ferrent. Deus esset natura composita" '). Doch men verviel daardoor van Scylla op Charybdis. Want is bijv. de almacht Gods wezen, wat geeft men dan anders te kennen met de uitdrukking „God is alwetend", dan God is God (howa howa. Hij is Hij)? M. a. w. men komt dan slechts tot een bloot „idem per idem". Buitendien, daar het als axioma vaststaat, dat twee grootheden, die ieder op zichzelve gelijk zijn aan eene derde grootheid ook onderling gelijk zijn en volgens deze theorie almacht en alwetendheid, elk op zichzelve gelijk zijn aan het Wezen Gods, zoo moet men ook de identiteit van almacht en alwetendheid beweren. Doch speelt men op die wijze niet met begrippen ?

Toch mogen wij den grooten vooruitgang in de opvatting

1) Theol. Dogm. I, 232. aangehaald bij Schleiermacher Der Christ. Glaub. Berlin 1842. X, 268.

Sluiten