Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het Godsbegrip, die zich in de laatste theorie vertoont, niet miskennen. Zij baant den weg tot een derden en laatsten stap, waarbij men het eigenlijk wezen Gods voor onbegrijpelijk verklaart en de attributen slechts laat gelden als de noodzakelijke vormen, waarin wij ons God moeten denken.

Zien wij nu welken ontwikkelingsgang de Mohammedaansche theologie in dezen gevolgd is. Reeds zijn wij het tijdperk te boven, waarin men bloot anthropomorphistisch te werk ging. Abu-'l-Hodheil bijv. kent slechts vijf attributen , t. w.: almacht, alwetendheid, leven, spraak ) en wil '). Doch hij elimineert daarenboven de twee laatstgenoemde. Daarmede ontkent hij niet, dat God willend is, maar beweert, dat Hij niet ten gevolge van een afzonderlijk attribuut zoo genoemd mag worden, maar wegens door Hem zeiven geschapen wilsuitingen (obl^S), die derhalve hunne verklaring vinden in het attribuut der almacht, waarbij men inzonderheid aan de scheppende kracht dacht. Die wilsuitingen mogen echter niet als in God bestaande gedacht worden, want volgens eenen algemeen geldenden regel, slechts door de anthropomorphisten en Hanbalieten verworpen, mag men in God niets aannemen, wat geworden is »). Zij kunnen echter evenmin in iets van het geschapene aanwezig geacht worden , want de wilsuitingen Gods gaan natuurlijk aan hetgeen zij bestemd zijn te verwezenlijken in tijdsorde vóóraf. Derhalve kwam abu-'l-Hodheil tot de onzinnige hypothese, dat zij in geen substraat geschapen waren 3). Ik

I) Yg. Shahr. 34. H. 1, 4». 2) Mawaqif pg. 21 vvg.

3) Dergelijke metaphysische grootheden zijn in de Mohammedaansche dogmatiek door hem gangbare mant geworden.

Sluiten