Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noem deze hypothese met dien weinig vleienden titel, omdat volgens de Middeleeuwsche en ook volgens de Arabische terminologie de wil een accidens (u&f) is en het als algemeene regel in de ontologie geldt, dat geen accidens bestaat of bestaan kan, tenzij in een bepaald substraat. Op dezelfde wijze behandelt hij het attribuut der spraak, behalve dat hij hier onderscheid maakt tusschen twee verschillende wijzen, waarop God gesproken (liever zich geopenbaard) heeft.

Eens heeft God het woord: ^ (kon) er zij Gen. I, 3., waaraan alles wat is zijnen oorsprong te danken heeft, uitgesproken en later heeft Hij zich op dezelfde wijze herhaaldelijk geopenbaard door profeten. Wij herinneren ons uit het vorige hoofdstuk dat de laatstbedoelde kalam (hoyiq, woord, spraak) Gods volgens de Motazelieten geschapen is en wel in honderd verschillende subjecten bijv. in Gabriël, die hem overbracht, in de verschillende profeten, in het Qoran-exemplaar, in de ooren of de harten dergenen, die hem hooren enz. enz. Doch men ziet dadelijk in, dat het woord „kon" niet op dezelfde wijze terstond in een subject verwezenlijkt geworden is, want vóór de schepping bestond niets, waarin het verwezenlijkt kon worden. Ook dit woord is derhalve, evenals de wilsuitingen niet in een subject geschapen.

Zoo hield abu-'l-Hodheil slechts drie eigenlijke attributen over en bepaalde deze nader als het wezen Gods zelf uitmakende. Aan de éénheid van het Godsbegrip deed hij dus niets te kort, maar hij verviel in de moeilijkheid, die boven met een woord aangeduid is. Daarenboven werd zijn God eene bloote abstractie, waarmede noch de godsdienst, noch de theologie gebaat is.

Sluiten