is toegevoegd aan uw favorieten.

De strijd over het dogma in den Islâm tot op el-Ashʹari

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mama '), die eene zekere onevenredigheid tusschen straf en misdrijf meenden op te merken, leerden, dat van eeuwige verdoemenis geen sprake was, maar dat de ongeloovigen eenvoudig stof werden bij den dood en dat er voor hen geene opstanding was.

Moeilijker scheen het probleem, waar het het lijden der kinderen betrof. Wel leerde men vrij algemeen, dat zij bij vroegtijdigen dood in het paradijs zouden komen en aldaar een lageren rang innemen dan de beproefde geloovigen l), maar elk onverdiend lijden hun op aarde aangedaan, waarop geene schadeloosstelling volgde, was eene onrechtvaardigheid, die men God niet mocht toeschrijven. Sommigen, zooals Bakr ibn-Ahsab 3), poogden derhalve dat lijden weg te cijferen, doch zij konden niet ontkennen, dat het schreien der kinderen toch wel een teeken van pijn en smart moest zijn. Daarom leerden anderen, dat dit lijden een tuchtigingslijden (wahS) was, en voor het kind zelf en voor zijne ouders, doch ook deze hypothese bleek gezocht te zijn. Bishr ibno-'l-Mo'tamir meende, dat een zoodanig kind opgegroeid zijnde een groot zondaar of zelfs een ongeloovige zou worden, gelijk God in zijne voorwetenschap voorzag, doch hoe indien bet kind nu jong stierf? Aan den anderen kant schenen jong gestorven kinderen weer te zeer begunstigd te worden, daar hun het paradijs wachtte, terwijl menig geloovige zijne kleine gebreken in de hel zou moeten boeten. Daarom leerde Tho-

1) Ibid 49. H. I, 73. ibn-Hazm. Cod. Lugd. II, 144. v.

2; Vg. ibn-Hazm. 1.1. II f. 76. r.

3) Bij de plaatsen genoemd door Frankl 1.1. pg. 205 moet nog gevoegd worden ibu-Qot. Cod. Lugd. f 58 waar Bakr's gevoelen nog meer in bizouderhedeu wordt nagegaan.