Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

boren, ons op eenmaal brengen zou in de tegenwoordigheid van den Eeuwige.' Inderdaad, de schrijvers van „Unseen Universe" durven bijna niet meer spreken van stoffelijk heelal, daar, volgens hun gevoelen, „stof de minst belangwekkende helft is van de bouwstoffen van het fyzieke heelal." En zelfs de heer Huxley neemt, ofschoon in anderen zin, het woord over van Descartes: „dat wij meer van de ziel weten dan van het lichaam; dat de onstoffelijke wereld grooter realiteit heeft dan de stoffelijke."

Hoe de prioriteit van het geestelijke de kracht en beteekenis van deze geheele bewijsvoering verhoogt, zal op eenmaal gezien worden. De lijnen van het geestelijke bestonden eerst, en natuurlijk was het te verwachten, dat toen „de Rede zetelende in het ongeziene," er toe overging het stoffelijke . heelal te vormen, zij de lijnen volgde, die reeds getrokken waren. Hij had slechts de hooger wetten naar de benedenrichting door te trekken, zoodat de natuurlijke wereld een incarnatie werd, een zichtbare voorstelling, een werkend model van de geestelijke wereld. Hierin ligt de geheele roeping der stoffelijke wereld opgesloten. De wereld is geen ding, dat is; zij i s niet. Zij is een ding, dat ons leert, ja zelfs geen ding is zij — maar iets dat iets te zien geeft, een ons leerende schaduw. Daarom doet de wijsbegeerte er wèl 1 aan met te bewijzen, dat de stof geen bestaan heeft in zich- J zelf. Wij werken er meê, evenals de wiskunstige met een x. Alleen het geestelijke heeft een wezenlijk bestaan. „Natuurkundigen mogen spreken van stof, maar dit voor iedereen „een stoffelijke wereld" te noemen, is ongerijmd. Noemden wij het een x-wereld, wij zeiden ongeveer hetzelfde, 11.1. dat wij niet weten, wat zij is." Wanneer zullen wij het ware mysticisme leeren van iemand, die toch alles behalve een mysticus was: „Wij aanmerken niet de dingen, die men ziet, maar de dingen, die men niet ziet; want de dingen die men ziet, zijn tijdelijk, maar de dingen, die men niet ziet, zijn eeuwig." (1 Cor. 4: 18). Het zichtbare is de ladder tot het onzichtbare : het tijdelijke de wegbereider tot het eeuwige. En wanneer de laatste onstoffelijke geesten uit dit stoffelijke zullen zijn opgestegen tot God, zal dit steigerwerk worden weggenomen, en de aarde verteerd worden door vuur, niet omdat zij zoo laag was, maar omdat haar taak is volbracht.

Sluiten