Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ken mensch, maar ook in die tot de geestelijke wereld, wordt de natuurlijke mensch beschouwd als d o o d. Hij is als een knstal tegenover een organisme. De natuurlijke wereld staat tot de geestelijke, gelijk de anorganische tot de organische. „ ij hebt den naam, dat gij leeft, maar gij zijt dood." ') „En u heeft Hij levend gemaakt, daar gij dood waart."2) t Is duidelijk, dat hier een merkwaardige harmonie bestaat tusschen de organische wereld, zoo als zij wordt

beschouwd in t licht der wetenschap, en de geestelijke wereld

gezien in 't licht der Schrift. Wij vinden één groote wet,' clie de grenzen van beide werelden bewaakt, er voor zorgende, dat de toegang tot een hooger sfeer alleen plaats kan hebben door een rechtstreeks herscheppende handeling, welke plaats grijpt van de zijde der wereld, die in rang er boven staat. Kr zijn voor de biogenesis geen twee wetten, één voor de natuurlijke, en één voor de geestelijke ;■ er is één wet voor beide. Waar ook leven wordt aangetroffen, leven van welken aard ook — daar geldt deze zelfde wet. De analogie bestaat aarom alleen tusschen de verschijnselen, en wat de wetten aangaat, tusschen haar is geen analogie — maar continuïteit, n beide gevallen, is de eerste verschijning van de bij ieder kring passende levensvormen, in den volsten zin des woords, een wonder. Maar in 't eene geval is er niets meerders of niets minders van het mysterie dan in het andere. Voor den godgeleerde is de tweede geboorte niet of nauwlijks meer verbijsterend, dan de eerste geboorte voor hem die zijn studie maakt van de vrucht, die nog niet is geboren [den embryoloog]. hen weinig nadenken kan het nu voor ons duidelijk maken, arom in de geestelijke wereld aan dit mysterie nog deze andere verborgenheid moest worden toegevoegd, dat het alleen bekend werd gemaakt door middel van de openbaring. Dit « juist het punt, waarop de man der wetenschap zich aan an sluiten bij den godgeleerde. Hij wijst er op, dat hij al teze dingen met zijn oogen ziet geschieden in de stoffelijke wereld. Is hij op dit punt niet te spreken — dan is hij op niets te spreken. Maar de mogelijkheid er toe bestaat, doch

'J Openb. III: j. s) Eph. II: i, 5.

Sluiten