Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omgeving. Een levende cel, van de lucht afgesloten, zal sterven. Een zaadkorrel zonder vocht en vereischte temperatuur zal de aarde eeuwen lang maken tot haar graf. De menschelijke natuur, evenzoo, is aan soortgelijke voorwaarden onderworpen. Zij kan zich slechts ontwikkelen te midden van haar omgeving. Onverschillig welke die eischen zijn, welke kiemen van gedachten of van deugd, van genie of van kunst ook liggen verscholen in zijn binnenste, tenzij dan dat de vereischte omgeving zich aanbiede, wordt de gemeenschap geweigerd, de ontwikkeling tegengehouden, de prachtigste gegevens om te leven niet verwezenlijkt, en gedachten en deugd, genie en kunst, zijn dood. De ware omgeving voor het zedelijke leven is God. Hier ontwaakt het geweten. Hier wordt de liefde geboren. Hier ontvangt de plicht heldenmoed ; en die gerechtigheid vangt aan te leven, die alleen eeuwig leven zal. Maar is die atmosfeer er niet, dan moet de wegstervende ziel omkomen, alleen uit gebrek aan de lucht, waarin zij alleen leven kan; haar dood is een volmaakt-natuurlijke dood. Wij spreken hier geen oordeel uit alleen over het atheïsme. In dezelfde omstandigheden, in dezelfde afgesloten verhouding tot haar omgeving zullen de dichter, de musicus, de kunstenaar sterven aan poëzie, muziek en kunst. Elke omgeving is een oorzaak. Haar invloed op mij staat in het nauwst verband met mijn verhouding tot haar; sta ik in betrekking tot een van haai

deelen, dat ondervind ik ook slechts gedeeltelijk haar invloed.

Hoe meerder gemeenschap, hoe meerder invloed. Sta ik in gemeenschap met de wereld, ik word wereldsch; sta ik in gemeenschap met God — ik word Gode gelijk\oimiö. Daar er zonder gemeenschap van den wetenschappelijken man met zijn natuurlijke omgeving geen wetenschap mogelijk was, en geen handelen gegrond op kennis der natuur, zoo kan er ook zonder gemeenschap met de geestelijke omgeving geen godsdienst zijn. Wie weigert de godsdienstige gemeenschap aan te kweeken, ontzegt aan zijn ziel haar hoogste rechten — het recht op hooger ontwikkeling.

Wij hebben reeds toegestemd, dat de mensch, die God niet kent, geen monster behoeft te wezen; wij kunnen echtci niet verzekeren, dat hij geen dwerg zal zijn ; en toch, dit

Sluiten