Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch uitmaken voor zich zelf. En hierin bestaat nu zoowel het bezwaar als de waardigheid der beperking.

Er is een ander soort van gevallen, waarin het nog moeielijker valt zijn gedragslijn af te bakenen. Tallooze punten zijn er in onze omgeving, waarmeê wij vrijelijk gemeenschap houden en bevorderen mogen, terwijl het desniettemin, over 't geheel, beter ware, dat wij van dit voorrecht geen gebruik maakten. De omstandigheden kunnen soms van dien aard zijn, — ,en de eischen, die anderen ons stellen, kunnen zóó dringend wezen, — dat wij den kring onzer geoorloofde genoegens hebben te beperken. Of, in plaats van tot ons te komen van andere menschen, kan die roepstem tot ons komen van Hooger hand. Het geestelijk leven van den mensch bestaat in het aantal en de volheid van zijn betrekkingen tot en met God. Om ze te ontwikkelen, kan het zijn, dat hij gedwongen wordt ze af te zonderen, ze te vrijwaren tegen de aanraking van alle „correspondenties", en zich met haar op te sluiten. In verschillende gevallen is de beperking van het natuurlijke leven de noodzakelijke voorwaarde, om het geestelijke leven recht te genieten.

In dit beginsel ligt de ware filosophie van de zelfverloochening. Niemand wordt geroepen tot een leven van zelfverloochening om haar zelfs wil. Het is met het oog op een vergoeding welke, ofschoon zij somtijds moeielijk valt waar te nemen, toch altijd werkelijk bestaat en in geëvenredigde hoeveelheid of maat aanwezig is. Geen waarheid wordt misschien in den praktischen godsdienst meer uit het oog verloren. Wij plegen soms een taai verzet tegen de leer deizelfverloochening — alsof onze natuur, of onze omstandigheden, of ons geweten hard met ons handelde, door ons een dagelijksch kruis op de schouders te leggen. Maar is het ten slotte toch niet duidelijk, dat het leven van zelfverloochening het overvloedigste, het rijkste leven is — overvloediger naar mate van de vollediger kruisiging van het meer bekrompen leven ?

Is het niet kennelijk een zaak van ruiling, — van ruiling echter, waarbij al het voordeel is aan onze zijde ? Wij laten een gemeenschap varen, waarin weinig leven is, om een gemeenschap te genieten, waarin het leven overvloedig wordt

Sluiten