Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het vraagstuk is, om niet een stoffelijk lichaam en een geestelijke organisatie, onafscheidelijk daarmee verbonden, een brug te slaan over het graf. Aandoening, wilsvermogen.' denken zelfs, zijn verrichtingen van de hersenen. Zijn de hersenen gekrenkt — ook zij zijn het. Zijn de hersenen normaal — zij zijn het ook. Alles staat stil en houdt op met de onbinding van de stoffelijke werkplaats, de werkzaamheid der spieren en van 't verstand beide houden op. Met de stellige uitspraken over dit punt van meer dan één tak dcr nieuwere wetenschap zijn wij allen bekend. Het noodlottige vonnis is door een honderdtal handen neergeschreven, en zonder een schaduw van verzachting. „De onbevooroordeelde wijsbegeerte", zegt Büchner in zijn „Kracht en Stof", „is genoodzaakt het denkbeeld van een persoonlijke onsterfelijkheid en van een persoonlijk voortbestaan na den dood te verwerpen. Met het ineenvallen en de ontbinding van dit stoffelijk substraat, waardoor hij alleen een bewust bestaan verwierf en een persoon werd, en waarvan hij afhankelijk was, moet de geest ophouden te bestaan." Evenzoo zegt Vogt: „De fyziologie verklaart zich beslist en ondubbelzinnig tegen de individueele onsterfelijkheid, evenzeer als tegen elk afzonderlijk bestaan van de ziel. De ziel komt niet in de ongeboren vrucht evenals de boozc geest in bezeten menschen, maar zij is een product van de ontwikkeling der hersenen, gelijk een werkzaamheid der spieren een product is van de spier-ontwikkeling, en afscheiding der vochten een product is van de ontwikkeling der klieren." Na een nauwgezette teekening van den toestand der hedendaagsche wetenschap tegenover deze geheele leer, komt de heer Graham tot deze slotsom : „Deze zijn de argumenten der wetenschap, kennelijk besüst tegen een toekomend leven. Als wij haar reeks van sluitredenen hooren, besterft in ons het hart. De hoop der menschen, gelegd 111 de ééne weegschaal, schijnt hoog zich te verheffen tegenover het massieve gewicht van bewijsgronden in de andere schaal. Het is, alsof al onze argumenten ongegrond en onwezenlijk zijn, alsof onze toekomstige verwachtingen de dwaze droomen zijn van kinderen, alsof men tegen de aangevoerde evidentie geen ander gewettigd oordeel zou kunnen overstHlen."

Sluiten