Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oordeelen, ontbreekt niets. Men kan ervan zeggen : „zij zijn volkomen in de natuur." Ook van den mensch, van den mensch als een dier gesproken, kan men zeggen, dat zijn omgeving hem bevredigt. Hij heeft voedsel en drank, goed voedsel en goeden drank. En er is in hem geen zuiverdierlijke behoefte, waarin niet wezenlijk is voorzien, en dan kennelijk langs den gevoeglijkstea weg.

Maar op hetzelfde oogenblik, dat wij treden buiten het zuiver-dierlijke leven, beginnen wij te stuiten op onvolkomenheid. De verschijnselen ervan zijn eerst zeer zwak, en verraden zich door een onverklaarde onrust of een onbestemd gevoel van gebrek. Dan neemt de koortsachtige gejaagdheid toe, neemt bepaalder vorm aan, en gaat weldra over in aanhoudenden pijn. Voor sommigen breken donkerder oogenblikken aan, wanneer de onrust aangroeit tot een doodsangst der

ziel, waarbij alle andere smarten op aarde kinderspel zijn

oogenblikken, waarin de verlaten ziel alleenlijk in ontzetting en siddering kan roepen tot den levenden God. Tot op zekere hoogte voorziet de natuurlijke omgeving in 's menschen behoefte, maar verder dan dat punt spot zij er meê. Hoeveel ligt in den mensch, dat verder gaat dan dit punt ? Zeer veel — bijna alles, alles dat den mensch tot een mensch maakt. Het eerste vermoeden van de verschrikkelijke waarheid — laat ons haar nu reeds zoo noemen mogen — ontwaakt met het doorbreken van het verstandsleven, 't Is een plechtig oogenblik, wanneer het langzaam voortschrijdend gemoed eindelijk de grens bereikt van zijn verstandelijken gezichteinder, en daarbuiten starende, niets meer ziet. Zijn inspanning maakt den afgrond des te dieper. Zijn kreet keert zonder echo terug. Waar is de omgeving, die aan deze redelijke ziel geeft wat haar ontbreekt ? Men vindt er eene — Eéne — of brengt het overige van zijn jaren door met te beproeven, zijn oogen te sluiten. Het geestlijke leven heeft te kiezen tusschen Christendom en agnosticisme. De voorstander van het agnosticisme heeft gelijk, als hij zijn onvolkomenheid luide verkondigt. Wie niet volmaakt is in Hem, moet voor altijd onvolmaakt wezen. Nog bedenkelijker wordt de toestand van den mensch, als hij zijn zedelijke en maatschappelijke natuur verder gaat onderzoeken. De vraagstukken van zijn hart en geweten ver-

Sluiten