Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijbel tot ons komt, en dien, waarin de theologie haar brengt, is zoo wijd mogelijk.

In de theologie is de waarheid vervat in stellingen, gewikkeld in sierlijke pakjes, gesystematizeerd, en gerangschikt in logische orde. De Drieëenheid is een ingewikkeld leerstuk. Over 't Hoogste Wezen wordt geredetwist in wijsgeerige termen. De verzoening is een stelling, welke bewezen wordt, als ware zij een propositie van Euclides. En de rechtvaardigmaking wordt uitgewerkt als een rechtsgeleerd vraagstuk. Daar is geen noodzakelijk verband tusschen deze leerstukken en het leven van hem, die ze belijdt. Zij maken hem orthodox, maar daarom ganschelijk nog niet rechtvaardig. Zij voldoen het verstand, maar behoeven het hart niet te treffen. In één woord: zij vragen geen godsdienstig mensch om een godgeleerde te zijn. Zij vragen alleen maar een mensch met goede verstandelijke vermogens. Die mensch past die vermogens toe op godgeleerde onderwerpen — maar in geen anderen zin, dan waarin hij zc toepassen kan op sterrekunde of natuurkunde. Maar in den bijbel is de waarheid een fontein. Het is een vloeibaar voedsel, maar zóó vloeibaar, dat niemand aan den vorm alleen van het te genieten genoeg heeft. Het wordt bereikt niet door denken, maar door doen. Men ziet het en onderscheidt het — maar men demonstreert het niet. Men kan het niet in zijn geheel verslinden, maar het moet langzaam in 't systeem worden opgenomen. Zijn onbepaaldheid voor het bloot verstand, zijn weigering om in draagbare volzinnen ingepakt te worden, zijn bevredigend onbevredigd laten, zijn uitgebreide atmosfeer, de ervaring dat het ons te vinden weet en op mystieke wijze vasthoudt: dat zijn de bewijzen voor zijn oneindigheid. •

Nooit, in niet één enkel opzicht, noch lichamelijk, noch verstandelijk, noch geestelijk, voorziet de natuur in 's menschen behoeften in dier voege, dat hij haar gaven slechts werktuigelijk heeft aan te nemen. Zij stelt al de werktuigelijke vermogens tot zijn beschikking, maar hij moet zorgen voor den hefboom, die ze in beweging brengt. Zij geeft hem koorn, maar hij moet het malen ; zij bereidt steenkolen, maar hij moet er naar delven. Het koorn is volmaakt, en al de voortbrengselen der natuur zijn volmaakt, maar hij

Sluiten