Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Atlantische landverhuizers, die het land heel wat later kwamen bewonen dan den tijd van de verhuizing naar Egypte — misschien ongeveer 100.000 jaar geleden — waren de ware bouwers van Stonehenge; zij kozen opzettelijk dien strengen eenvoud van teekening, omdat zij meer dan genoeg hadden van de buitensporige voorliefde voor weelde en ornamentatie, die toen onder de gedegenereerde Atlantiërs zelf heerschte. In dien tijd was West Europa één groot brok land, dat zich van het Skandinavische Schiereiland tot het Zuidelijk deel van Spanje uitstrekte. Langs deze geheele, uitgebreide kustlijn vestigden zich de Atlantische landverhuizers en plaatsten zij monumenten van ruwen steen, waarvan honderden behalve Stonehenge tot op den huidigen dag zijn overgebleven. Eene heele verzameling ervan is te vinden te Carnac in Bretagne en de geheimzinnige overblijfsels, "dolmens" genaamd, die uit enkele op elkaar gestapelde groote steenklompen in den vorm van ruwe altaren bestaan, zijn alle afkomstig van Atlantiërs.

Maar die oude steenen vormen het minst belangrijke deel van de erfstukken, die ons nagelaten zijn door het verdwenen vastland. Om echter aan te toonen hoe belangrijk de geschiedenis van Atlantis is, moet ik eenige geheimen der Natuur uitleggen, die opgehouden hebben geheimzinnig te zijn voor bestudeerders der occulte wetenschap, maar die nog op 't gebied van het "onbekende" verkeeren voor het meerendeel onzer tijdgenooten — de erfgenamen van middeleeuwsche onwetendheid aangaande oorsprong, groei en bestemming der menschelijke ziel. Veel van wat gewoonlijk in en rond deze wereld niet gezien kan worden, is slechts onzichtbaar voor het gewone gezicht. Het vermogen van waarneming — waarvan ik reeds zoo dikwijls melding gemaakt heb als van helderziendheid — brengt, wanneer het tot op een hoogen graad van volkomenheid wordt ontwikkeld, eene groote menigte natuurverschijnselen onder ons bereik, die volslagen onzichtbaar zijn voor het physiek gezicht en het is het middel waardoor occultisten te weten komen wit zij weten omtrent de menschelijke ziel als eene eenheid, zooals zij afgescheiden van het lichaam, dat zij tijdelijk moge beievendigen, door hen wordt beschouwd.

Wij kunnen voorloopig niet verwachten, dat de beroeps-geestelijken dusdanige onderzoekingen zullen leiden. Zij zijn in die

Sluiten