Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omstandigheden geboren, het door werkzaamheid zoover kan brengen, dat hij de vereischte som tot stijving der schatkist zal kunnen bijdragen en alzoo de kiesbevoegdheid verkrijgen."

Nadere verklaring van de beweegredenen, welke in 1848 tot het stellen van het census-kenteeken leidden, werd in de zitting der Tweede Kamer van 7 Juni 1850 door den heer Donker Curtius gegeven, toen deze mededeelde, dat men in 1848 alléén den maatschappelijken stand, niet de persoonlijke geschiktheid der kiezers op het oog had. Yan dat standpunt is het verklaarbaar, dat de Regeering niet overnam het voorstel der Negenmannen en van de Staatscommissie van 17 Maart, om. onafhankelijk van elke censusbetaling, het kiesrecht toe te kennen aan hen, die den graad van doctor bij eene Nederlandsche hoogeschool zouden hebben verkregen. Het capiciteitenkiesrecht viel buiten haar stelsel.

Zoo had dus de gewone wetgever eene kieswet in het leven te roepen, die, gegrond op de bepaling van art. 76 der Grondwet, als éénig bijzonder kenteeken voor het kiesrecht, den census stelde. Het was de wet van 4 Juli 1850 Stbl. n°. 37, die aan het grondwettig voorschrift uitvoering gaf. Nadat eerst op een ontwerp van wet tot regeling der materie van den minister de Kempenaer, bij Koninklijke Boodschap van 21 Mei 1849 ingediend, een ongunstig Voorloopig Verslag was gevolgd, werd door Thorbecke, zijn opvolger als Minister van Binnenlandsche Zaken, in Mei van het volgende jaar een nieuw wetsvoorstel aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal aangeboden, dat, hoezeer niet zonder veel strijd, ten slotte nagenoeg ongewijzigd met groote meerderheid door de beide Kamers werd aangenomen.

Volledigheidshalve zij hier vermeld, dat de kieswet van 1850 een eind maakte aan den overgangstoestand, door de Additioneele Artikelen der Grondwet in het leven geroepen, krachtens welke tot het in werking treden der kieswet de nieuwe Kamers zouden worden samengesteld overeenkomstig

Sluiten