Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen census en kiesrecht behoorde te worden geregeld ^overeenkomstig met de plaatselijke gesteldheid", aan iedere bevredigende oplossing van het vraagstuk in den weg stond.

Een voorstel om den minimum-census voor het geheele land als algemeenen maatstaf aan te nemen met uitzondering der 23 meest bevolkte gemeenten, werd in 1869 door den heer Heemskerk gedaan, bij amendement op een wetsontwerp tot herziening der kiestabel betreffende de verdeeling des llijks in kiesdistricten; het amendement werd met 39 tegen 30 stemmen verworpen.

Een wetsontwerp tot herziening der kieswet van gelijksoortige strekking, den 19den Augustus 1870 door den Minister Fock ingediend, werd, na het aftreden van het ministerie, door het opvolgend kabinet ingetrokken.

Bij Koninklijke Boodschap van 30 October 1872 werd door den Minister Geertsema een ontwerp tot herziening van den census aangeboden, waarbij de minimum-census van f 20 voor het geheele Rijk gesteld werd, met 43 gemotiveerde uitzonderingen. Een ongunstig Yoorloopig Verslag der Tweede Kamer volgde; en nadat de Minister, in verband met een nader ingesteld onderzoek omtrent den geldelijken toestand der kiezers in alle gemeenten, en naar aanleiding van een tegenvoorstel der Commissie van Rapporteurs, zijn wetsontwerp had gewijzigd, werd op 18 Juni 1874 art. I der voordracht met 39 tegen 32 stemmen verworpen.

Twee latere wetsontwerpen tot verlaging van den census — dat van den Minister Heemskerk van 10 Februari 1877 en dat van den Minister Pijnacker Hordijk van 12 Oct. 1882 — hebben evenmin den weg naar het Staatsblad kunnen vinden.

Zoo bleek telkenmale opnieuw, dat het vrijwel onmogelijk was om, naar het voorschrift der Grondwet, het kiesrecht overeenkomstig de plaatselijke gesteldheid aan te passen aan den census; immer werd duidelijker, dat art. 76 der Grondwet aan eene bevredigende oplossing van het kiesrechtvraagstuk in den weg stond.

Een eerste krachtige stoot tot herziening van het Grond-

Sluiten