Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«Betaling in de belastingen" — zoo betoogde de meerderheid der Commissie verder — »stellige voorwaarde voor de uitoefening van dat regt, sluit allen daarvan uit, die, hoezeer aan hun voldoende bekwaamheid en gegoedheid geen twijfel kan bestaan, om eene of andere reden niet regtstreeks in de belastingen worden aangeslagen, en roept dientengevolge eene schadelijke beperking der kiesbevoegdheid in het leven. De census doet zijn nadeeligen invloed op andere wijze echter nog sterker gevoelen. Hij heeft eenen band tusschen kiesregt en belastingstelsel in het leven geroepen, welke de ontwikkeling van het staatsburgerschap van de voorziening der dagelijksche behoeften van den Staat en deze laatste weder van het eerste afhankelijk maakt, beide tegelijk belemmerende". En verder heet het: «Bezorgdheid voor de rigtige toekenning van kiesregt, treedt bij elke poging tot hervorming van het belastingstelsel op den voorgrond. En waar van hervorming van het kiesregt in de laatste jaren ernstig sprake was, moest de vraag, of bij de bestaande belastingwetgeving eene wijziging van den census wel ooit zoodanig kon worden omschreven, dat de gevolgen met eenige juistheid aan het voorgestelde doel beantwoorden, onopgelost blijven".

Nieuwe aandrang tot Grondwetsherziening ging in het volgend jaar uit van het kamerlid Mr. S. van Houten, die, bij gelegenheid van het Yoorloopig Verslag op het reeds meergenoemd wetsontwerp van 10 Februari 1877 in eene nota, welke eene schets van grondwetsherziening bevatte, voorstelde om art. 76 der Grondwet aldus te wijzigen, dat de kiesbevoegdheid zoude toekomen aan alle meerderjarige mannelijke ingezetenen, Nederlanders, die in het volle genot der burgerlijke en burgerschapsrechten, in de laatste drie jaren geene bedeeling hadden genoten, en de schrijfkunst verstonden.

Mr. van Houten wenschte te breken met het »geldolicharchisch karakter" van het bestaande stelsel, dat het volk belette onbelemmerd zijn ontwikkelingsgang te volgen;

Sluiten