Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met eene vertegenwoordiging, alleen van het bezit, die geen vertrouwen kon inboezemen aan de groote meerderheid der natie; met een stelsel, dat onuitvoerbaar en tot schromelijk willekeur leidend, waar het de geschiktheid tot kiezen deed afhangen van de plaatselijke gesteldheid, aan den wetgever de macht gaf om door wijziging der directe belastingen het aantal der kiezers met duizenden te vermeerderen of te verminderen.

De nota van den heer van Houten werd nimmer besproken, aangezien het wetsontwerp tot herziening van het kiesrecht, naar aanleiding waarvan zij was ingediend, buiten behandeling is gebleven.

Over de jaren die volgden, kunnen wij kort zijn. Menige strijd, menige gedachtenwisseling viel daarin over het kiesrecht in de Volksvertegenwoordiging voor.

Steeds algemeener won de overtuiging veld, dat het kiesrecht op beter grondslagen behoorde te worden gevestigd, dat het kiezerscorps behoorde te worden uitgebreid en dat voor een en ander Grondwetsherziening onontbeerlijk was.

In eene schets tot zoodanige herziening van den Minister Kappevne, van het jaar 1879, werd ten opzichte van het kiesrecht voorgesteld, de bepaling der vereischten daarvoor aan den gewonen wetgever over te laten. Den Minister werd nimmer de gelegenheid gegeven, zijne denkbeelden op dit punt nader in eene wetsvoordracht tot ontwikkeling te brengen.

Dat zeer vele leden der Tweede Kamer geen heil meer zagen in eene censusverlaging binnen de perken der bestaande Grondwet, kwam aan het licht bij de debatten over het adres van antwoord op de troonrede, in de vergadering van 28 September 1880. Hierop volgde de indiening van een ontwerp van wet van het Kabinet-van Lynden van Sandenburg, strekkende tot verlaging van den census, hetwelk door de Regeering was ingediend onder den indruk eener door de Tweede Kamer op 25 Mei 1882 met alge-

Sluiten