Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het door de Kegeering gestelde kenteeken — de huurwaarde — vond intusschen bij vele leden instemming; de voorgestelde wijze van toepassing echter — n.1. het bedrag van de huurwaarde zóó te regelen dat overal eene ongeveer gelijke verhouding tusschen bevolking en kiesgerechtigden werd verkregen — werd vrij algemeen onjuist geacht en de Regeering liet zich bewegen om de desbetreffende bepaling terug te nemen en te vervangen door een voorschrift, krachtens hetwelk in gemeenten, voor welke de laagste maatstaf van huurwaarde werd aangenomen, deze niet lager mocht worden bepaald dan op f 36, en in gemeenten, voor welke naar den hoogsten maatstaf zou worden gerekend, niet hooger dan f 250.

Intusschen, het Regeeringsvoorstel zoude nimmer in behandeling komen. De Tweede Kamer, bij Koninklijk besluit van 11 Mei 1886 ontbonden, werd vervangen door eene andere, waarin de meerderheid aan den wetgever grootere vrijheid wilde toekennen dan dj Regeering had voorgesteld. »Naar de overtuiging der Kamer zal 's Lands belang het best gediend worden, wanneer aan den gewonen wetgever bij de toekomstige regeling van het onderwerp eene groote mate van vrijheid wordt toegekend," zoo heette het in het adres van antwoord op de troonrede, dat in de vergadering van 23 Juli 1886 met 45 tegen 30 stemmen werd aangenomen.

Uit de verdediging der paragraaf, door het lid der Commissie van Redactie, den heer Goeman Borgesius gegeven, bleek, dat de liberale meerderheid afkeerig was van opneming in de Grondwet, niet slechts van het huurwaardestelsel, zelfs al werd dit meer elastisch gemaakt, maar van ieder kiessysteem, welk ook. Zij wenschte, dat in de Grondwet in het geheel geene keuze van kiesstelsel zoude worden gedaan, in het geheel geene eischen voor politieke geschiktheid zouden worden neergelegd, doch verlangde »dat de Regeering, als Grondwetgever optredende,

2

Sluiten