Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben bereikt. Yerder behelsde het voorstel eene opsomming van categorieën, die van het kiesrecht zouden zijn uitgesloten.

De Regeering motiveerde deze redactie aldus: »Dit voorstel sluit de invoering van het algemeen stemrecht uit. Alleen degenen die uiterlijk waarneembare kenteekenen van geschiktheid en inaatschappelijken welstand bezitten, zullen volgens bij de kieswet te stellen regelen, het kiesrecht kunnen erlangen." En verder: »De wetgever zal ten deze de vrije hand hebben, met dien verstande altijd, dat hij niemand het kiesrecht zal kunnen toekennen, die niet op de eene of andere wijze doet blijken van voldoende geschiktheid en maatschappelijken welstand."

Met de volkomen vrijheid, zoodoende aan den wetgever gegeven, die voortaan het kiesrecht naar welgevallen door een hoogen census binnen enge perken kon stellen of zóódanig uitbreiden, dat feitelijk het algemeen stemrecht werd ingevoerd, konden velen zich niet vereenigen. Waar de Regeering zeide, dat het algemeen stemrecht door haar voorstel werd uitgesloten, betwijfelde men, of de Regeering juist oordeelde. »Door met name aan hen, die in het laatste jaar van eene instelling van weldadigheid onderstand hebben genoten, de uitoefening van het kiesrecht te ontzeggen, geeft het voorgesteld artikel aan de uitdrukking «maatschappelijken welstand" eene zoo beperkte beteekenis" — dus oordeelden blijkens het Yoorloopig Verslag velen — »dat het den gewonen wetgever inderdaad volkomen zal vrijstaan om algemeen stemrecht in te voeren."

Verder achtte men de vermelding van den maatschappelijken welstand naast de geschiktheid minder juist. »Waartoe" — zoo vroeg men — »zal men meer eischen dan dat een kiezer geschikt zij ? Het gaat niet aan behalve geschiktheid nog maatschappelijken welstand te vorderen." Zoodoende werd aan geschiktheid de beteekenis gegeven van «bekwaamheid" en sloot dus de Grondwetgever, voor de kiesbevoegdheid zoowel bekwaamheid als welstand vereischende, het kiesrecht

Sluiten