Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechts een betrekkelijk gering aantal stemmen behalen. Nog was ingediend een amendement, dat slechts eene verduidelijking van het Regeeringsvoorstel beoogde in zoover als het, door te spreken van »de door de kieswet te bepalen kenteekenen van maatschappelijken welstand of andere kenteekenen van vermoedelijke geschiktheid" ontwijfelbaar wilde doen uitkomen, dat de enkele capaciteit door den kieswetgever als maatstaf voor kiesrecht kon worden aangenomen, zonder dat men bovendien aan een kenteeken van welstand behoefde te voldoen. Xa uitdrukkelijke verklaring van den Minister, dat de bedoeling der Regeeringsredactie overeenkomstig de gedachte, waarvan het amendement uitging, was te achten, trok de voorsteller het amendement in.

Een amendement strekkende om den wetgever de vrijheid te laten om het kiesrecht te schorsen voor militairen bij de zee- en landmacht, zoolang zij zich onder de wapenen bevinden, werd met een subamendement, dat ten deze beperking tot de militairen beneden den rang van officier voorstelde, aangenomen.

In dien zin gewijzigd, werd het Regeeringsvoorstel ten slotte met 68 tegen 15 stemmen door de Tweede Kamer aangenomen.

In de Eerste Kamer kon men zich over het algemeen bij het Regeeringsvoorstel neerleggen »in de overtuiging, dat de hervorming van het kiesrecht eene staatkundige behoefte was." Die overtuiging deed over menig bezwaar van bijzonderen aard heenstappen.

Evenmin als in de Tweede Kamer, heerschte in de Eerste éénstemmigheid over de vraag, in hoever het algemeen kiesrecht door het Regeeringsvoorstel zoude worden uitgesloten. Terwijl er eene fractie was, die verklaarde hare stem aan het voorstel te geven, omdat h. i. het artikel, in het licht der beraadslaging beschouwd, het algemeen stemrecht bepaaldelijk uitsloot, oordeelden anderen, »dat het artikel juist na de daarover gevoerde beraadslaging en de daarbij

Sluiten