Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belasting eene zekere gestelde hoogte bereikte, gedurende een bepaalden tijd een gedeelte in huur hadden of bewoonden, waarvoor geen afzonderlijke aanslag in het personeel geschiedde, maar waarvan de huurwaarde niet bleef beneden een, in verband met het wegens huurwaarde in het personeel verschuldigde, bepaald bedrag.

Wel werd door velen in de Tweede Kamer zeer ongaarne een voorschrift gemist, dat aan de capaciteiten het kiesrecht toekende, terwijl anderen liever den baud tusschen kiesrecht en belastingen niet bestendigd zagen, weer anderen bezwaar hadden tegen de toekenning van het kiesrecht aan de categorie der huurders, onafhankelijk van belastingbetaling; maar de meerderheid kon zich wel met het Regeeringsvoorstel vereenigen. ,

Nadat gedurende de openbare beraadslagingen over het voorstel — hetwelk niet, gelijk door de rechterzijde was voorgesteld, gelijktijdig met het tegenwoordig art. 80 der Grondwet, maar tezamen met de overige Additionneele Artikelen, na Hoofdstuk XI, in behandeling werd genomen — daarin nog eenige wijzigingen waren aangebracht, met name in de ter elfder ure door de Regeering overgenomen bepaling betreffende de toekenning der kiesbevoegdheid aan de huurders-niet belastingbetalers, werd het voorstel met 61 tegen 20 stemmen aangenomen. In de Eerste Kamer volgde de aanneming van het voorstel van verandering in de Additionneele Bepalingen der Grondwet met 26 tegen 11 stemmen.

Zoo was dan, in afwachting van de nieuwe regeling, welke in de kieswet zoude worden neergelegd, eene voorloopige uitbreiding aan het kiezerscorps gegeven, dat door het voorloopig kiesreglement van omstreeks 3 % der bevolking op =fc 7 °/0 gebracht werd. Het duurde tot 1892, voordat een ontwerp van wet tot uitvoering van het Grondwettig voorschrift, de Tweede Kamer bereikte.

Sluiten