Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De vele bedenkingen, die in de Tweede Kamer tegen het voorstel van den Minister rezen, hadden voornamelijk betrekking op twee punten.

Vooreerst achtten zeer velen de voordracht in strijd met de Grondwet.

De gansche totstandkoming van het Grondwettig voorschrift, vervat in art. 80 — vrucht van het tusschen de Kamer en de Regeering in 1886 gesloten cfompromis — wees er op, dat aan den wetgever de vrijheid tot invoering van het algemeen kiesrecht niet toekwam, en nu mocht formeel het voorstel van den Minister Tak aan den eisch der Grondwet tot aanwijzing van kenteekenen van geschiktheid en maatschappelijke welstand voldoen, het strekte »tot hetgeen in het wezen der zaak als algemeen stemrecht te beschouwen is." Meer bepaaldelijk had men bedenking tegen de wijze, waarop het kenteeken van maatschappelijken welstand was uitgewerkt. Vooreerst, door het enkele feit van te voorzien in eigen onderhoud en dat van het huisgezin kon men nog niet worden geacht welstand te bezitten. Daarvoor was meer noodig, maar al ware hier sprake van welstand, zoo kon dat niet gezegd worden van het enkele feit der niet-bedeeling. De onderstelling, dat de niet-bedeelden in eigen onderhoud en dat van hun gezin voorzagen, was eene fictie, in flagranten strijd met de werkelijkheid, eene fictie die leidde tot het toekennen van kiesbevoegdheid aan bedelaars en landloopers, die toch zeker niet gezegd konden worden maatschappelijken welstand te hebben.

W at eischte de Grondwet ? Zij stelt aan den kiezer het vereischte: dat hij een kenmerk van welstand hebbe, en, onafhankelijk daarvan, dat hij niet bedeeld zij. Twee geheel afzonderlijke vereischten dus; al bezit men het kenteeken van welstand, men zal toch geen kiezer zijn, als men wordt bedeeld; aan den anderen kant, niet-bedeeling op zich zelf kan geen kiesrecht verschaffen, als men niet tevens bezit een wettelijk kenteeken van welstand. Een positief, uiterlijk waarneembaar kenteeken van maatschappelijken welstand

Sluiten