Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gedurende zekeren termijn ééne woning van zekere huurwaarde moest hebben bewoond, te doen vervangen door het vereischte dat men gedurende dien termijn niet meer dan twee woningen bewoond had. Hoezeer ook door de aanneming van andere amendementen belangrijke wijzigingen en aanvullingen van het ontwerp plaats vonden, kan over het algemeen gezegd worden, dat de grondbeginselen, waarop de Regeeringsvoordracht was opgetrokken, onaangetast bleven.

In de zitting van 19 Juni 1896 nam de Tweede Kamer het wetsontwerp met 56 tegen 43 stemmen aan; de aanneming in de Eerste Kamer volgde den 5 September daaraanvolgende met 34 tegen 12 stemmen. Twee dagen later werd de Koninklijke sanctie verleend; in N°. 154 van het Staatsblad is de wet van 7 September 1896, tot regeling van het kiesrecht en de benoeming van afgevaardigden ter Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal afgekondigd.

De grondslagen, waarop door de wet van 1896 het actief kiesrecht werd gevestigd, gelden nog heden; zij ondergingen intusschen eenige wijzigingen door de wet van 8 December 1900 (Stbl. N°. 208). Over het algemeen bestond de strekking van de technische herziening, waartoe deze wet zich bepaalde, hierin, dat meerdere der kenteekenen, voor het kiesrecht benoodigd, ruimer gesteld werden, zoodat verschillende der categorieën van kiezers uitbreiding konden ondergaan.

Waren toen de wijzigingen, door de Regeering voorgesteld, alle goedgekeurd, voorzeker zoude de wet van veel grooter beteekenis geweest zijn en reeds dadelijk het kiezerscorps aanzienlijk hebben uitgebreid. Eene van de voornaamste, zoo niet de voornaamste reden, waarom het aantal kiezers onder de wet van 1896 kleiner bleef dan voorspeld werd, is hierin gelegen, dat voor verschillende kenteekenen eigen aangifte verplichtend is gesteld. In 1900 werd voor-

Sluiten