Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Intusschen hadden bij de behandeling van bovengenoemde motie meerdere van de voorstemmers verklaard, dat zij zich over de urgentie der Grondwetsherziening niet wilden uitlaten. Eenige maanden later nu besloot de heer Troelstra ook daarover eene verklaring uit te lokken, door het voorstellen eener motie, luidende: »De Kamer, overwegende dat definitieve regeling van het kiesrecht noodzakelijke voorwaarde is voor voldoende sociale wetgeving en dat daarvoor herziening der Grondwettelijke bepaling omtrent het kiesrecht den weg moet banen, gaat over tot de orde van den dag." Deze motie werd door de Kamer in hare vergadering van 8 Mei 1901 met 64 tegen 20 stemmen verworpen.

Sluiten